Wie een bedrag afspreekt, sluit meestal een dading. Dat is een contract met zware gevolgen. En een vraag om uitstel is naar Belgisch recht niet neutraal.
De dading
De afspraak waarmee een claim wordt afgesloten, heet in het Belgisch recht meestal een dading. Artikel 2044 van het oud Burgerlijk Wetboek omschrijft die zo:
Dading is een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen.
Het tweede lid van datzelfde artikel eist dat dadingen schriftelijk worden opgemaakt. In de rechtsleer wordt aangenomen dat dat vereiste enkel geldt voor het bewijs en niet voor de geldigheid: de dading zelf komt tot stand door de wilsovereenstemming. Een overzicht van rechtspraak in het Tijdschrift voor Privaatrecht formuleert het zo: het vereiste van een geschrift is enkel gesteld ad probationem. Praktisch verandert dat weinig, want zonder geschrift staat u zwak als er later discussie komt.
Waarom zo'n afspraak zwaar weegt, staat in artikel 2052:
Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg. Men kan er niet tegen opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht of uit hoofde van benadeling.
Vertaald: een dading werkt als een eindvonnis waartegen geen beroep meer openstaat. Achteraf ontdekken dat de rechtspraak u gelijk zou hebben gegeven, of dat het bedrag veel te hoog was, is geen grond om eronderuit te komen. Vernietiging blijft wel mogelijk in een beperkt aantal gevallen. Artikel 2053 laat dat toe wanneer er dwaling heeft plaatsgehad in de persoon of omtrent het voorwerp van het geschil en in alle gevallen waarin bedrog of geweld heeft plaatsgehad. Artikel 2055 verklaart een dading op grond van naderhand vals bevonden stukken geheel nietig, en artikel 2058 bepaalt dat een rekenfout moet worden verbeterd.
Een geruststelling zit in dezelfde figuur. Datzelfde overzicht van rechtspraak omschrijft de dading als een akkoord waarbij partijen beiderzijds toegevingen doen, zonder dat de ene partij de gegrondheid van de aanspraken van de andere erkent. Wie schikt, erkent dus niet vanzelf dat de claim terecht was. Wel is de draagwijdte beperkt tot wat erin staat: artikel 2049 bepaalt dat een dading alleen de geschillen regelt die daarin zijn begrepen.
Erkenning
Nu een punt dat veel mensen verrast. Een betaling of een vraag om uitstel is naar Belgisch recht niet neutraal. Artikel 2248 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of bezitter gedaan, de verjaring stuit. De lopende termijn wordt dan tenietgedaan en er begint een nieuwe te lopen.
Dat is niet alleen theorie. Een bespreking van een arrest van het hof van beroep in Antwerpen citeert de overweging dat stuitende werking kan worden toegekend aan de erkenning van de schuld die blijkt uit de aanvraag van afbetalingstermijnen. De datum en het rolnummer van dat arrest worden in die bespreking niet vermeld, dus wij kunnen het niet tot de bron zelf volgen; wij geven het door als wat die bespreking schrijft.
Waarom dit telt bij een fotoclaim: op onze pagina over verjaring leest u dat een buitencontractuele vordering verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de kennisname. Wie in jaar vier om een betalingsregeling vraagt, kan die klok opnieuw laten beginnen.
De bekende formule
De bekende formule onder alle voorbehoud en zonder nadelige erkentenis wordt in brieven gebruikt om precies dat te voorkomen. Vereniginginfo raadt vzw's aan de vordering zo af te wijzen, en ook om bij het verwijderen van een foto erbij te schrijven dat de verwijdering een voorzorgsmaatregel is en geen erkenning van schuld inhoudt.
Er is echter een Belgische bron die de formule flink relativeert. De juridische website elfri.be betoogt dat wie verklaart zonder nadelige erkentenis te handelen maar vervolgens toch iets bekent, daarmee een geldige erkentenis aflegt; de stijlformule beschermt niet tegen de gevolgen van wat er daarna staat. Dezelfde auteur noemt zulke formules in een eerste analyse zinloze last.
Wij hebben geen Belgische rechtspraak gevonden die de formule wel bindende werking toekent. Onze conclusie daaruit is nuchter: het is geen toverformule, en wat u schrijft weegt zwaarder dan de aanhef erboven. Dat is onze gevolgtrekking en niet een uitspraak van een rechter.
Boek XIX
Twee kanttekeningen
Twee kanttekeningen, en ze zijn allebei belangrijk genoeg om niet weg te moffelen.
Ten eerste geldt dit hoofdstuk voor een consument tegenover een onderneming. Krijgt uw vennootschap of uw vzw een claim, dan gelden deze regels in beginsel niet.
Ten tweede is het omstreden of boek XIX wel past op een fotoclaim. Artikel XIX.1 zegt dat de titel van toepassing is op iedere betalingsachterstand van een schuld van een consument aan een onderneming. De duiding die de Orde van Vlaamse Balies bij die wet maakte op basis van de parlementaire stukken, leest dat ruim: Uit het zeer ruime begrip onderneming volgt dat de algemene bepalingen van titel 1 in beginsel zowel van toepassing zijn op contractuele schulden als op wettelijke schulden. Daar staat een werkdocument van het Financial Law Institute van de UGent tegenover, dat het toepassingsgebied uitwerkt vanuit overeenkomsten. Een fotoclaim is geen onbetaalde factuur maar een schadevergoeding, en die vraag is in de bronnen die wij vonden niet beslecht. Wij presenteren dit dus als een open punt.
Ook los van boek XIX kan een rechter ademruimte geven. De regel die vroeger in artikel 1244 van het oud Burgerlijk Wetboek stond en nu in artikel 5.201 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, laat de rechter toe gematigd uitstel voor de betaling te verlenen en de vervolgingen te doen schorsen. Die bevoegdheid wordt met omzichtigheid toegepast en is bedoeld voor de schuldenaar die ongelukkig en te goeder trouw is.
Twee praktische punten
Tot slot twee praktische punten waar onze lezers naar vragen.
Btw op het bedrag. Een schadevergoeding is in beginsel niet aan btw onderworpen, omdat er geen prestatie tegenover staat. In een bespreking van een arrest van het hof van beroep in Antwerpen van 23 april 2012 wordt uiteengezet dat een factuur niet dient om een schadevergoeding aan te rekenen, dat het dan om een onechte factuur gaat en dat er geen btw verschuldigd is. Die formulering komt uit de bespreking en niet uit het arrest zelf, dat wij niet konden inzien. Let op de keerzijde: wordt de zaak afgewikkeld als een licentie of een gebruiksvergoeding in plaats van als schadevergoeding, dan kan de fiscale beoordeling anders uitvallen. Een Belgische bron die dat specifiek voor fotoclaims uitwerkt, hebben wij niet gevonden.
Kortingen met een korte houdbaarheid, van het type betaal binnen veertien dagen en het bedrag wordt de helft, komen in brieven voor. Wij hebben geen Belgische rechtspraak of doctrine gevonden die zich daar specifiek over uitspreekt. Wat wel vaststaat, is dat het Antwerpse hof in het arrest 2023/AR/276 heeft meegewogen dat het gevorderde bedrag bij de dagvaarding sterk werd verlaagd, van 14.000 euro in de ingebrekestelling van oktober 2021 naar 5.760 euro in hoofdorde bij de dagvaarding van 13 mei 2022. Het hof kende uiteindelijk 243,84 euro toe. Een bedrag dat zo makkelijk zakt, zegt iets over het bedrag dat eerst werd gevraagd.
Bronnen
Elke bewering op deze pagina is terug te voeren op een van deze vindplaatsen. Klopt er iets niet, laat het ons weten.
Meer lezen