Een brief met het woord gerechtsdeurwaarder erin is nog geen rechtszaak. Het verschil is aan de inhoud te zien, en de wet schrijft letterlijk voor wat er in een dagvaarding moet staan.
Het onderscheid
De meeste brieven die mensen ons laten zien zijn aanmaningen. Een gerechtsdeurwaarder heeft namelijk twee petten op. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders beschrijft de minnelijke pet zo: de gerechtsdeurwaarder stuurt een brief waarin de schuldenaar wordt uitgenodigd vrijwillig te betalen, en dat vereist geen rechterlijke beslissing. Pas als dat niet lukt, wordt via de rechtbank een vordering ingesteld.
Dat onderscheid zit ook in de tarieven. Dezelfde beroepsorganisatie schrijft dat er voor minnelijke opdrachten geen wettelijk tarief is en dat het ereloon vrij wordt bepaald, terwijl gerechtelijke opdrachten strikt gereglementeerd zijn. Een minnelijke gerechtsdeurwaardersbrief is dus dichter bij een incassobrief dan bij een procedure.
Er is nog een herkenningspunt dat sinds 1 september 2023 in de wet staat. Wordt er bij een consument ingevorderd door een advocaat, een ministerieel ambtenaar of een gerechtelijk mandataris, dan moet de ingebrekestelling volgens artikel XIX.7, paragraaf 2, 5° van het Wetboek van economisch recht in een aparte alinea, vet gedrukt en in een ander lettertype deze zin bevatten:
Deze brief betreft GEEN dagvaarding voor de rechtbank of beslag. Het gaat niet om een procedure van gerechtelijke invordering.
Staat die zin er, dan weet u meteen waar u aan toe bent. Let wel: die verplichting geldt voor de invordering van een schuld van een consument. Of een schadevergoeding wegens een fotogebruik zo'n schuld is, is een omstreden vraag; verderop op deze pagina en op onze pagina over aanmaningskosten leggen wij uit waarom.

Hoe het eruitziet
Een echte dagvaarding is geen gewone brief maar een exploot van een gerechtsdeurwaarder. Artikel 702 van het Gerechtelijk Wetboek somt op wat erin moet staan, op straffe van nietigheid:
Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, op straffe van nietigheid, de volgende opgaven: 1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de eiser en, in voorkomend geval, zijn rijksregisternummer, identificatienummer in het bisregister of ondernemingsnummer; 2° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde; 3° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 5° de plaats, de dag en het uur van de terechtzetting.
Dat laatste woord staat er zo, met die zetfout, in de geconsolideerde tekst bij Justel; bedoeld is de terechtzitting.
Let op de aanhef: deze vijf opgaven komen boven op de vermeldingen van artikel 43, dat onder meer de datum, de identiteit en de handtekening van de gerechtsdeurwaarder oplegt. Het vierde en het vijfde punt zijn in de praktijk het duidelijkst. Staat er geen rechtbank en geen zittingsdatum in, dan hebt u geen dagvaarding in handen.
Betekening
Betekenen is een woord uit hetzelfde wetboek. Artikel 32 omschrijft betekening als de afgifte van een origineel of een afschrift van de akte; zij geschiedt bij gerechtsdeurwaardersexploot of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft. Het afschrift is uw exemplaar.
Kan het stuk niet aan uzelf worden overhandigd, dan gebeurt de betekening volgens artikel 35 aan uw woonplaats of verblijfplaats, en voor een rechtspersoon aan de maatschappelijke of administratieve zetel. Lukt ook dat niet, dan bepaalt artikel 38 dat de gerechtsdeurwaarder een afschrift onder gesloten omslag achterlaat, met datum, uur en plaats vermeld op het origineel en op het afschrift. Uiterlijk de eerste werkdag daarna stuurt hij een door hem ondertekende brief met het tijdstip van aanbieding en de mogelijkheid om het afschrift gedurende maximaal drie maanden op zijn kantoor af te halen.
Praktisch betekent dit dat een dagvaarding u kan bereiken zonder dat u iemand aan de deur hebt gehad, en dat de termijnen dan toch lopen. Een gesloten omslag in de bus is dus geen reclame die kan blijven liggen.
De bevoegde rechter
Welke rechtbank? Bij auteursrecht is dat niet de dichtstbijzijnde. Artikel 575, paragraaf 1 van het Gerechtelijk Wetboek wijst de ondernemingsrechtbank aan voor vorderingen tussen ondernemingen over auteursrecht, naburige rechten en het recht van producenten van databanken, en voegt eraan toe:
De vordering die is gericht tegen een onderneming door een persoon die zelf niet in die hoedanigheid handelt, kan eveneens voor de ondernemingsrechtbank worden gebracht.
Daarbovenop komt een geografische centralisatie. Artikel 633quinquies, paragraaf 1, derde lid bepaalt:
Enkel de rechtbanken van eerste aanleg of de ondernemingsrechtbanken die gevestigd zijn in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van vorderingen betreffende de intellectuele eigendomsrechten en de rechtsbescherming van technische maatregelen en van de informatie betreffende het beheer van rechten bedoeld in artikel 575.
Er zijn vijf zetels van een hof van beroep: Antwerpen, Bergen, Brussel, Gent en Luik. In Vlaanderen komt u dus bij Antwerpen, Brussel of Gent uit, en dat is ook waar de Belgische fotoclaimzaken spelen die wij op onze rechtspraakpagina bespreken.
Twee kanttekeningen, want het is minder eenduidig dan het lijkt. Artikel 575 gaat over vorderingen tussen ondernemingen, en over een vordering van iemand die zelf geen onderneming is tegen een onderneming. Wordt u als particulier aangesproken, dan spreekt dat artikel uw situatie niet aan. En de vrederechter is volgens artikel 590 bevoegd voor vorderingen tot 5.000 euro, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt. Of een kleine fotoclaim tegen een particulier bij de vrederechter kan belanden, hebben wij in geen Belgische bron uitdrukkelijk bevestigd of ontkend gevonden. Wij presenteren dat dus niet als uitgemaakt.
De volgorde
Een brief van de claimpartij, van een incassobureau, van een advocaat of van een gerechtsdeurwaarder met de minnelijke pet op. Geen rechtbank, geen zittingsdatum.
Een gerechtsdeurwaarder betekent een exploot met de vijf verplichte vermeldingen van artikel 702. De gewone dagvaardingstermijn ten gronde is acht dagen.
De zaak wordt ingeschreven op de rol en behandeld. Wie niet verschijnt, krijgt een verstekvonnis.
Pas met een uitvoerbaar vonnis kan er beslag worden gelegd. Een aanmaning geeft dat recht niet.
Niet verschijnen
Niet verschijnen is met de opeenvolgende hervormingen gevaarlijker geworden. De kern van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek kreeg zijn huidige vorm op 1 november 2015; de slotzinsnede kwam erbij met de wet van 6 juli 2017. De tekst luidt nu:
In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter krachtens de wet ambtshalve kan toepassen.
De rechter voert dus niet zelf verweer voor wie er niet is. Wat gevorderd wordt, wordt in beginsel toegewezen, tenzij het strijdig is met de openbare orde of het gaat om rechtsregels die de rechter ambtshalve kan toepassen. Onze lezing daarvan is dat de rechtspraak die elders tot een fractie van het gevorderde bedrag leidde, bij verstek niet vanzelf in uw voordeel meespeelt. Dat is een gevolgtrekking van ons en geen regel die ergens zo staat.
Daarna gelden termijnen van een maand. Artikel 1048 geeft een maand om verzet aan te tekenen, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis, en artikel 1051 een maand voor hoger beroep, vanaf dezelfde betekening. Maar verzet staat lang niet altijd open. Artikel 1047, eerste lid werd door de wet van 6 juli 2017 herschreven en luidt sindsdien:
Tegen ieder verstekvonnis dat in laatste aanleg is gewezen kan verzet worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Is het vonnis niet in laatste aanleg gewezen, dan blijft dus alleen hoger beroep over, en ook daarvoor hebt u een maand vanaf de betekening.
Wat het kost
Een misverstand
Tot slot een misverstand dat wij vaak tegenkomen. De procedure voor de invordering van onbetwiste geldschulden, de IOS-procedure van de artikelen 1394/20 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, laat een gerechtsdeurwaarder toe een uitvoerbare titel te bekomen zonder tussenkomst van een rechter ten gronde. Zowel de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders als de Orde van Vlaamse Balies schrijft dat die procedure alleen tussen ondernemingen geldt, en de Orde verzet zich uitdrukkelijk tegen uitbreiding naar consumenten.
Bovendien staat de beperking in de wettekst zelf. Artikel 1394/20 opent met Elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar is op dag van de aanmaning, en sluit daarna uitdrukkelijk schulden uit van of ten aanzien van schuldeisers of schuldenaren die niet zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of in een vergelijkbaar register van een andere lidstaat. Wie geen onderneming is, valt er dus buiten, en een fotoclaim die u gemotiveerd betwist is geen onbetwiste schuld.
Bronnen
Elke bewering op deze pagina is terug te voeren op een van deze vindplaatsen. Klopt er iets niet, laat het ons weten.
Meer lezen